Ongeschreven recht

Gerelateerde afbeelding

Ongeschreven recht is het recht dat niet door de wetgever of de rechter in het leven is geroepen maar wel algemeen als geldend recht wordt erkend, bijvoorbeeld gewoonterecht en bepaalde verkeersopvattingen.
Als recht ontstaat uit gewoontevorming dan is ‘gewoonte’ een rechtsbron. Onder gewoonterecht moet dan worden verstaan dat men overtuigd is dat de gedragingen overeenkomen met wat men vindt dat er behoort te gebeuren. Naast herhaling moet dus ook het besef bestaan dat de gedragingen behoren plaats te vinden.
Het burgerlijk recht, dat wil zeggen het recht dat geldt in de relaties tussen burgers, is gecodificeerd in het Burgerlijk Wetboek (BW). Het algemene strafrecht is gecodificeerd in het Wetboek van Strafrecht. Deze codificatie houdt overigens niet in dat buiten het BW geen enkel privaatrecht en buiten het Wetboek van Strafrecht geen enkel strafrecht is te vinden. In vele wettelijke voorschriften komen strafbepalingen voor.
Er is meer recht dan in wetten of wetboeken beschreven staat. Wetten zijn soms voor meer dan één uitleg vatbaar. Als de rechter een regeling, bijvoorbeeld een wet, steeds op dezelfde manier uitlegt, kan die uitleg bindend recht worden, dat wil zeggen dat volgens de op dat moment algemeen heersende rechtsopvattingen van deze uitleg niet meer mag worden afgeweken. Het is een nieuwe ontwikkeling in het recht, die daarna gecodificeerd kan worden.
•Voorbeeld De zaak ‘Lindenbaum-Cohen’ ging over het volgende. Cohen had geprobeerd om de bediende van zijn concurrent Lindenbaum ertoe te bewegen om beroepsgeheimen van zijn werkgever te verraden. Deze manier van concurreren was niet uitdrukkelijk in de wet verboden. De Hoge Raad overweegt dat het woord ‘onrechtmatig’ (zoals dit voorkwam in art. 1401 van het toenmalige Burgerlijk Wetboek en dat een essentieel onderdeel is van het begrip onrechtmatige daad) niet gelijkstaat met ‘strijdig met een wetsbepaling’. Volgens de Hoge Raad moest onder vergaderruimte almere een onrechtmatige daad worden verstaan ‘een handelen of nalaten, dat of inbreuk maakt op eens anders recht, of in strijd is met des daders rechtsplicht, of indruischt, hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van een anders persoon of goed.’ De uitspraak van de Hoge Raad (HR 31 januari 1919, Nj 1919, 161) is meer dan 70 jaar later bevestigd in art. 6:162 lid 2 BW: ‘Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigheidsgrond.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *